How low can you go?

“Omdat u iemand bent die ik vertrouw, wil ik u graag toevoegen aan mijn netwerk” Ik weet niet hoe dat met jullie zit, maar ik krijg er meestal zo’n tien à twaalf per dag. Alleen al op LinkedIn. De afgelopen maanden, tijdens het dieptepunt van de recessie, ongeveer het dubbele trouwens. Het leek wel of heel werkloos of naar een klus zoekend Nederland de godganse dag zijn mailbox afstruinde op adressen van mensen bij wie ze ooit een keer in een cc’tje terecht waren gekomen. Vijftien jaar geleden.

Zelf ben ik er vrij strict in, in het al dan niet connecten. Als ik iemand niet ken, nooit ontmoet heb, totaal niet weet om wie het gaat en er niet mee gewerkt heb, kom je er bij mij niet in. Niet in Linked In, niet in Facebook. Ken ik je wel, en wil je kans maken, schrijf dan in elk geval een persoonlijk krabbeltje in het verzoek. Jij kunt wel zeggen dat je mij vertrouwt, maar wie zegt dat ik dat ook omgekeerd doe? Daarnaast: ik heb niet zoveel op met mensen die weinig creativiteit, pro-activiteit of initiatief aan de dag leggen. En als je je in mij inleeft – wat je als het goed is doet als je wilt linken – dan kun je dat ook zelf bedenken.

Een paar weken geleden had ik er één waarbij ik er bijna instonk. Die begon heel slim. “He Herbert, lang geleden. Hoe is het? Ik zag dat je mijn profiel hebt bekeken. Zullen we linken?”. Handig. Ik had zijn profiel niet zomaar bekeken, namelijk. Waarom zou ik? Ik had hem bekeken omdat ik zag dat-ie mij had bekeken. Maar: toch voelde ik me bijna schuldig als ik niet zou accepteren. Na gedane arbeid – ‘click’ – liet-ie niet los. Integendeel.

Op geraffineerde wijze dacht hij me in de val te laten lopen, door een mailwisseling te beginnen over waar-ie allemaal mee bezig was – af en toe ook heel knap interesse en belangstelling tonend. Veinzend, eigenlijk. Maar: niemand is geraffineerder dan ik in dat spel, dus ik speelde mee. Alsof ik het rook. Hij de kat, ik de muis. Maar eigenlijk andersom. En ja hoor. Bij reply nummer 3 kwam-ie.

“Daarnaast ben ik veel bezig met new economy startups met als doel een residueel inkomen te genereren”. Startups. New Economy. Het stond er echt.

Nu kende ik de betreffende ‘nieuwe vriend’ van twintig jaar geleden niet bepaald als een entrepreneur, verre van zelfs. Maar ook de ingestudeerdheid van de zin, het enorme copy-paste-gehalte, trof me. En dan het zijige ‘residueel inkomen’. Ik kreeg er spontaan uitslag van. Het klonk als een bijwerking van een ziekte. De Ziekte van Nietsdoen, het Syndroom van Luiheid.

Multi Level Marketing, wedden?

Multi Level Marketing. Het laagste van het laagste. Als je echt niet meer weet wat je met je leven moet, als alle creativiteit uit je geslagen is, als je uitgeblust, tegenvallend vergoudenhandrukt op de bank zit, als je kunt kiezen tussen wegglijden in vergetelheid of nog één laatste poging tot opstanding, dan wordt dat ‘t: Multi Level Marketing.

Natuurlijk noem je dat niet zo. Zelfs jij vindt het een vies woord. Nee, je zet op je LinkedIn profiel dat je ‘ondernemer in de wellnes-industrie’ bent (je verkoopt Herbalife pilletjes aan de vriendinnen die je nog over hebt) en dat je ‘bezig bent met de internationale uitrol van een bewezen marketingconcept’. Oftewel, je bent voor veel geld een keer naar München gevlogen om tijdens een bijeenkomst van sneue medegoudzoekers op de rand van dezelfde afgrond te luisteren naar de slimste vogel die aan de top van de piramide de eerste drie maanden nog wél geld weet weg te sluizen door jou Gold- of Diamond member te maken en ál je oud-ooms, achterneefjes, stiefzussen, collega’s en kennissen tot ver in de twaalfde graad dezelfde inmiddels al lang verdeelde worst voor te houden.

Hou toch op. Schei toch uit.

Of beter: ga werken.