Rafelranden.

Oi, oi. Wat heb ik daar toch een godsgruwelijk talent voor. Ronddwalen, en dan automatisch naar de rafelranden van een stad getrokken worden. Om vervolgens natuurlijk terecht te komen in een obscuur restaurant, dat overduidelijk opgezet is om de geldstromen van de Russische maffia een andere kleur te geven.

Heerlijk.

Wat breedgeschouderde types in halve trainingspakken die de ongeschoren koppen bij elkaar steken. Op zachte toon lispelend over waarschijnlijk het volgende transport, of een aanstaand bezoekje aan iemand waar nog een rekening openstaat.

De serveerster, ooit was ze mooi, die nergens meer van opkijkt.

Ook niet van mijn binnenkomst. De keuken met klapdeuren die telkens door haar billen worden geopend, waarachter je slagers met een heel andere specialiteit weet.

De radio, die heel hoopvol Kerstliedjes speelt, alsof er volgend jaar toch echt vrede op aarde komt. En tussen de rivaliserende bendes.

De wat seventies-achtige inrichting, maar dan vooral niet vintage bedoelt. Maar gewoon organisch ontstaan in al die jaren dat er toch vaste klanten kwamen, een stuk of zeven, en dat er desondanks prachtige winsten werden geboekt – elk jaar weer, elk jaar meer. Dat stop je niet in meubels, natuurlijk.

Van het eten verwacht ik niet veel, maar in de atmosfeer voel ik me thuis.

Hier past een wodka.

En een instemmend zwijgen.