Met je goeie gedrag.

Tallinn. Tweede Pinksterdag, 2016. Daar zat-ie, in z’n eentje. Met een bos bloemen, te wachten. Strak in het pak, voor zover strak hem nog interesseerde: het zal best een belangrijke afspraak geweest zijn. In elk geval voor hem.

De schoenen gepoetst, het weinige haar dat-ie nog had netjes gekamd. De afstand was eerlijk gezegd te groot om hem te kunnen ruiken. Maar ik ben ervan overtuigd dat er nog een zweem van aftershave om hem heen moest hangen, ook al was het al het begin van de avond.

Tien tegen één dat de afspraak zo belangrijk was, dat hij geheel tegen zijn gewoonte in rond een uur of vijf, zes, het scheermes nog een keer over zijn kaken had gehaald. Anders doe je ook zo’n pak niet aan.

Anders regel je ook niet die prachtige oranje bloemen – dat is geen impulsaankoop bij een benzinestation. Dat heb je ver van tevoren bedacht. En alvast besteld. Zeker in Estland. Op Tweede Pinksterdag.

Zou het gewoon Old Spice geweest zijn? Gewoon Azzaro? Gewoon Brut? Of hebben we hier te maken met een man van de wereld? En depte hij zijn ruwe rode spekgladde huid met Aqua di Parma, nadat hij er eerst wat talk met zijn opvallend eeltloze handen overheen had geklopt? Zou zo maar kunnen. Ook.

Wat me nu zo trof, weet ik nog steeds niet. Misschien wel zijn enorme en tegelijkertijd ongetwijfeld onbewuste inspanning om zo links mogelijk te zitten, zo veel mogelijk ruimte te laten voor zijn hopelijk komende afspraak.

Hij laat namelijk altijd zo veel mogelijk ruimte.

Zo is hij. Namelijk. Op bankjes. Maar ook: in zijn werk – vroeger. Daarom kwam hij nooit verder dan het middenkader. Of: in de rij, bij de slager. Waardoor hij nooit gezien werd. En: in de bus, bijvoorbeeld. Hoewel hij al lang het recht heeft te blijven zitten, staat hij nog steeds op voor vrouwen die slechts 2 of 3 jaar ouder zijn. Ruimte laat hij ook in de communicatie. Waardoor hij vaak niet goed begrepen wordt. En in relaties, voor zover je daar bij hem van kunt spreken.

Ruimte laten. Het is zijn kwaliteit. En tegelijkertijd –dus- zijn diepe, steile, onvermijdelijke, steeds terugkerende en bijna vermoeiend wordende valkuil. Hij weet het zelf heus wel, stiekem.

Het is niet voor niks dat er daar een prullenbak staat, rechts.

Het zou zo maar kunnen dat ze niet op komt dagen. Namelijk. En: dan is dat zo. Dan is het goed. Maar dan gooi je natuurlijk wel dat boeket weg. Met een achteloos gebaar, alsof het je niet interesseert dat ze er iets belangrijkers tussendoor liet komen.

Dat wachten, dat trof me. Als een mokerslag.

De eenzaamheid. De niet geleefde dromen. De vermorste tijd.

Zou hij, net als ik, altijd maar ruimte hebben gelaten voor iets anders? Die ruimte steeds maar weer gegeven hebben, ook?

Al een jaar of tien loop ik met plannen, die ik steeds niet uitvoer. Steeds weer geef ik iets anders, of iemand anders, of iets van iemand anders de ruimte. Dat ligt natuurlijk aan mezelf.

Alleen maar.

Kennelijk vind ik mezelf niet belangrijk genoeg. Of ben ik (nog steeds) veel te veel op zoek naar erkenning, naar aandacht, naar schouderklopjes, naar een mooie sticker van de juf. Stuitend kinderachtig, eigenlijk.

Ondertussen loop ik wel de hele tijd de rest van de wereld om me heen te vertellen dat ze moeten gaan doen wat ze moeten gaan doen. Waarvoor ze hier kwamen. Wat hun Heilige Moeten is.

Ondertussen stamp ik voor anderen de hele tijd projecten en bedrijven uit de grond, waarvan ik dan achteraf denk: “Had ik die tijd maar in mijn eigen projecten en bedrijven gestoken”.

Elke keer weer.

En: ondertussen maak ik vrijwel elke dag actielijstjes. Waar die plannen van mij, die dromen, al wel 10 jaar lang steeds weer op verschijnen. Of delen ervan.

Ziek is het. Vind ik.

Toen ik 5 jaar geleden 3 dagen de tijd had om afscheid te nemen van mijn vader, verweet ik hem dat-ie z’n dromen niet geleefd had. Z’n talenten niet benut. Dat-ie niet gedaan had waarvoor hij in zijn wieg was gelegd.

Daar krijg je rare mensen van. Het was een nare, zure, negatieve oude man geworden.

Een beter figuur voor de slachtofferrol kon je niet casten – Niets Was Goed Genoeg, Alles Was Niet Waar, Het Lag Allemaal Aan De Anderen en We Worden Allemaal Genaaid Waar Je Bij Staat.

Hij stierf zelfs zoals-ie geleefd had. Met z’n laatste adem wist-ie uit te brengen dat Ze Hem Vast Een Verkeerde Injectie Hadden Gegeven Want Het Spul Werkte Niet.

Boem – dood.

Wat me opviel, in die dagen daarvoor, was dat ik eigenlijk best veel op hem lijk. En ik had nog wel zo met mezelf afgesproken dat ik dat niet zou laten gebeuren.

Z’n actielijstjes, bijvoorbeeld. Die hij tot 5 minuten voor zijn sterfbed stug vol bleef kladden. Waarschijnlijk ook met allemaal plannen, en dromen. Van weet ik hoeveel jaren her. Elke dag weer.

Ik schrok me kapot toen ik dat zag. En hoewel ik sterk in overvloed geloof, realiseerde ik me dat we met één belangrijk ‘dingetje’ niet ontkomen aan de ongelofelijke schaarste ervan.

Tijd.

De tijd is onverbiddelijk. De tijd raakt op. De tijd komt nooit meer terug. De tijd staat niet aan onze kant.

Wil ik er wat van maken, dan zal ik nu toch echt moeten beginnen.

Met stoppen, ook.

Stoppen met ruimte laten. Stoppen met altijd maar ja zeggen. Stoppen met klagen, stoppen met Niets Is Goed Genoeg en met Het Ligt Allemaal Aan De Anderen.

Stoppen met mijn vader.

Beginnen met mezelf.

Het is de Hoogste Tijd.