Wortels. Grauw en middengrijs.

Het kan niet anders, dan dat ik het aantrek.

Als zoon van een kleine middenstander uit een zichzelf in de weg zittend provinciestadje vol Centrum Rechts stemmers, alcoholisten, werklozen, wietkwekers, wegkwijnende Wilton Feijenoord arbeiders en – on top of – een frauderende burgemeester.

Iemand moet het voorbeeld geven, immers.

Maar hoe hard ik er ook voor wegloop, hoe kosmopolitisch of verantwoord spiritueel ik me ook voordoe, het haalt me steeds weer in. Op al mijn reizen. Op elk pad dat ik ga.

Er is namelijk altijd wel ergens een Schiedam.

Hoogerheide, heet het vandaag. Waar de grote roofkat een plekje vond op het parkeerterrein van de Aldi – ingeklemd tussen Multipla’s, Manta’s en Honda’s met spoilers wilde die zich even te ruste leggen. Zich even laven aan de felle winterzon, die wanhopig haar best doet nog iets van licht te brengen in de beklemmende duisternis waardoor de lokale bevolking zich als zombies voortbeweegt over de Hoogstraat. Holle ogen, opvallend vaak overeenkomende gelaatstrekken, driekwart parka’s van de Primark online en gemiddeld 5 tatoeages in de nek per strekkende meter winkelend publiek – ook bij vrouwen, ja.

Het is hier grauw, het is hier middengrijs, het is hier steenkoud – maar men doet zijn best. De ene na de andere kinderkledingwinkel moet op omvallen staan, maar er is duidelijk een wedstrijd wie van de in surseillance verkerende winkeliers het langst z’n kop in het zand, en dus onafwendbaar in de strop steekt, aan de gang. De deuren moesten koste wat het kost vanmorgen toch weer open.

De lokale pasfotograaf doet amechtig mee – ik denk dat het een taaie is. Hij heeft horlogebatterijen aan zijn businessmodel toegevoegd, zo leert het stoepbord voor zijn uitnodigend gesloten deur. Het elektrische mini Zwarte Pietje in zijn etalage trekt zich niets aan van de oorverdovende stilte op de versleten vloer – driftig springt-ie op en neer, maakt af en toe een koprol en een grimas. Maar in de pauze tussen zijn ingeprogrammeerde bewegingen, waarin hij even herstelt en uithangt, denk ik in zijn schuddende koppie toch wat meewarigheid te herkennen.

Goddank vind ik in de lokale Primera, die maar niet weet of hij een ING verkooppunt, een boekwinkel, een sigarenwinkelier of een Post.NL afgifte punt moet zijn, een FD. Zowaar!

Langs het Sinterklaasliedjes spelende hoempapa bandje, ongetwijfeld ingehuurd door de winkeliersvereniging dat daar afgelopen mei al een agendapunt aan weidde op de halfjaarlijkse vergadering die steevast op ruzie uitloopt, wurm ik me hopelijk ongezien langs 3 puien waar ik ook nog uren over kan schrijven naar de lokale hotspot.

Althans: dat neem ik aan. Als je als propositie ‘Food, drinks & more!’ voert. Ik weet me in te houden om te willen weten wat dat ‘more’ dan is, en er met de uitbater een eenzijdig dus oneerlijk cynisch gesprek over te gaan voeren – ook zij doen zo hun best.

Het is bijna aandoenlijk. En kan niet mooier verteld worden aan de hand van het bordje achter de bos bloemen van de Texaco: “Het is de binnenkant die telt…”. Wat een feest.

Ik laat de Jagermeister links liggen, en ga voor het succesnummer op de kaart. De appeltaart. Zonder slagroom – het moet vooral niet te luxe worden. Leed en tragiek vallen ons ten deel.

We worden nooit een kwartje.