Hoe simpel kan het zijn?

In deze tijden waarin hipsters & millennials over elkaar (’s baarden) heen struikelen, waar het woord ‘start-up’ synoniem staat voor een lifestyle in plaats van jezelf half dood te werken, laat de oer-Hollandse ondernemersfamilie van Eerd van de Jumbo even zien waar het nou eigenlijk om gaat. Bij dat ondernemen.

De Kleine Dingen. De Gouden Regels. De Natuurwetten van de Retail. Het op de kleintjes letten.

Was hun aankoop van La Place uit de failliete boedel van V&D natuurlijk al een meesterzet, nu wordt de invloed van het supermarktdenken al duidelijk.

Gisteren werden bij alle kassa’s snoeprekken. Ze waren er razend druk mee. En waarom? Omdat ze weten dat daar, bij de kassa, waar je altijd staat te wachten (zeker bij La Place!) de meeste impulsaankopen worden gedaan. Acht van de 10 klanten gaat juist daar voor gaas. En denkt: “ach, die 2 euro 50 kan er nog wel bij”. Om nog maar te zwijgen van de jengelende kinderen, verblind door kleurtjes en suiker, die je dan toch maar zoet houdt in zo’n rij. Staat zo slordig, twee van die irritante schreeuwers die duidelijk bij jou horen. Daar heb je dan wel 5 euro voor over.

Laat de omzet van zo’n ‘kassakoopjes-bak’ nou eens 1000 euro per dag zijn. Nou vooruit, 800. Maal 7. Is 5600 euro per week. Maakt 22.400 per maand. Is 268.800 euro per jaar. Maal 61 vestigingen (zijn jullie er nog?) maakt een totaal van 16 miljoen driehonderdzesennegentig achthonderd euro (…)

Na 3 jaar heb je dan de aankoopprijs van La Place eruit, door een hele simpele truck die – let wel – éxtra omzet genereert. Ik hou zo van dit soort mensen. Ik heb er zo’n diep respect voor. Het simpele supermarkt denken, waar V&D nooit opgekomen is.

Doet me ook een beetje denken aan mijn jeugd.

Opgegroeid in een middenstandersfamilie – die die middenstand nooit ontgroeide, maar waarin je wel leerde wat ondernemen is.

De winkel was alles. Die was bijna nog belangrijker dan De Kerk – bijna, zei ik. In die winkel, daar moest je ‘balansen’ op 1 januari, en wee je gebeente als je er niet was.

Voor die winkel moest je folders rondbrengen. Elke zaterdag 10.000 stuks. Daar deed je dan op je 12e twee dagen over, en op je 17e had je je route en je timing zó geperfectioneerd (‘gedesigned’ zouden ze nu zeggen), dat je er 5 uur en 32 minuten over deed. Dat mocht ook wel, want het honorarium bleef 5 jaar lang hetzelfde. Honderd euro per weekend. Dan kon je maar beter zorgen dat je zo snel mogelijk klaar was – dan bleef je de inflatie tenminste nog voor.

Ook mooi: één keer per jaar was het braderie, op de Nolenslaan in Schiedam. Dan werd er oude afgeschreven voorraad diep opgedoken uit de kelder, die toch nooit meer verkocht zou worden. ‘Winkeldochters’ waren dat, leerde ik toen. Dan stonden we de hele dag die k*t flesjes af te stoffen en te poetsen, maakte mijn vader een groot geel kartonnen bord met ‘Nu of nooit: alles halve prijs!’, en verkocht-ie zich gek.

Veel kreeg ik niet mee van thuis. Maar volgens mij is daar toch de basis gelegd voor het copywriten, het verkopen en het ondernemen. Zes dagen per week ‘op je poten staan’, en als iemand vroeg hoe het ging, was je standaardantwoord “Hard voor weinig”. Het is triest.

Maar ik ben er toch dankbaar voor. In a way.

En nu heb ik wel een chocoladereep verdiend, vind ik.

Twee euro vijftig. Daar kan ik me geen buil aan vallen.